Regio 10 Betuwe Oost


Broedseizoen 2007 Betuwe-Oost


groot kauwennest
foto:
Kerkuilenwerkgroep
Betuwe-Oost

Aan het broedseizoen van de kerkuil leek dit jaar maar geen einde te komen. Er werden 51 eerste broedgevallen en 15 tweede broedsels gevonden. Het aantal uitgevlogen jongen was uitstekend met 3,8 gemiddeld voor de eerste broedsels en zelfs 4,6 voor de tweede lichting. In 2006 hadden we, mede gezien de lage muizenstand en de zeer hoge temperaturen, te maken met een halvering van het aantal broedparen ten opzichte van 2005.

Aantallen broedsels 2007
Het broedseizoen 2007 verliep dan ook stukken beter dan vorig jaar. Voor een deel van de kerkuilen in ons werkgebied was het broedseizoen al aanmerkelijk vroeger begonnen dan in andere jaren. Waarschijnlijk speelde het extreem warme voorjaarsweer hier een rol. Op een aantal locaties werden begin mei al nesten met jongen van 5 weken oud gesignaleerd, ook werd een aantal zeer grote legsels gevonden.

Met name in het begin van het broedseizoen lukte het ons niet alle jongen te ringen. Dat was te wijten aan soorten als Havik en Sperwer die in dezelfde periode geringd werden. In het latere jaar werden wel veel nesten geringd, het totaal aantal geringde vogels bedroeg 140 stuks! 2007 is daarmee het beste jaar ooit sinds de oprichting in 1993 van de Kerkuilenwerkgroep Betuwe-Oost!

Dat we niet alleen kerkuilen aantreffen blijkt wel uit de foto hiernaast. Op de foto, gemaakt bij Fort Pannerden, is een gigantisch kauwennest te zien. Als ware bouwmeesters stapelen ze net zolang takken op elkaar dat het nest net zo hoog is zoals zij dat willen hebben...

Kerkuilen met een whiplash...


Dat je als kerkuil af en toe je leven niet zeker bent is algemeen bekend. Vergiftigde muizen en het verkeer zijn maar twee voorbeelden die je het leven als kerkuil niet makkelijk maken. Maar dat je zelfs in je eigen nestkast niet veilig bent blijkt wel uit onderstaand verslag.


Een kerngezond jong!
foto:
Kerkuilenwerkgroep
Betuwe-Oost

Maandagmiddag 4 juni kreeg Marcel, een van de vaste krachten van een zorgboerderij in Groesbeek, de schrik van zijn leven. Marcel was bezig in de schuur toen er plots een kerkuilenkast met daarin 4 vliegvlugge jongen van 6 meter hoog naar beneden viel. Met een luide klap kwam de kast op de betonvloer terecht. De kast moet tijdens zijn val eerst nog op een balk terecht zijn gekomen. Twee jongen vluchtte te voet onder de strobalen weg, een andere uil bleef voor apegapen liggen en de vierde leek verdwenen. De bewoners hebben diezelfde dag de kast op een drie meter lager gelegen balk bevestigd en het enige jong dat ze nog konden vinden teruggezet. Die vogel leek wat in shock te zijn bij het terugplaatsen.
Dat bericht hoorde ik (Jan Jacobs red.) pas vrijdag de 8-ste, toen ik even langsging bij de mensen omdat we de volgende dag de jongen wilden ringen. De kast is er ooit geplaatst door de eigenaar en het was pas de tweede keer dat er een broedsel plaatsvond.

Er was dus geen dikke laag braakballen waardoor de kast topzwaar geworden was maar  de kast was eenvoudigweg niet goed bevestigd. Nadat we zaterdagochtend al wat andere uilen hadden geringd gingen we maar eens kijken hoe het ervoor stond. Het was dan ook een hele opluchting toen bleek dat er gewoon 4 kerngezonde vliegvlugge jongen in de kast zaten.
Toch flexibele vogels die Kerkuilen!
Jan Jacobs

De kerkuil: boomholtebroeder in het Land van Maas en Waal.

Van kerkuilen wordt beweerd dat ze van nature holenbroeders zijn, alleen, in Nederland is hiervan heel weinig te merken. Slechts enkele gevallen zijn bekend, waarvan één in het Land van Maas en Waal. In 2005 ontdekte Rob Felix binnen het werkgebied van de Kerkuilenwerkgroep Betuwe-Oost een broedsel van een kerkuil in een holle boom. Een prachtige eeuwenoude kastanjeboom werd door een paartje kerkuilen uitgekozen als natuurlijke nestplaats voor het uitbroeden en grootbrengen van hun nageslacht. In 2006, een daljaar voor de kerkuilen binnen ons werkgebied, werden alleen verse braakballen gevonden. Maar, in 2007 was het weer raak! Het afgelopen jaar werden er weer vijf jonge kerkuiltjes grootgebracht.

Nu blijken kerkuilen vaak niet echt kieskeurig wat betreft de keuze van hun nestplaats, zelfs melkbussen en hooiblazers worden gebruikt als broedplek, maar dit zijn uitzonderlijke situaties. Normaal gesproken broedt een kerkuil op donkere ruime plaatsen in en rondom boerderijen en kerken. Een broedsel in een natuurlijke boomholte is voor Nederlandse begrippen toch wel erg verrassend te noemen. In Nederland is slechts een enkele broedplaats bekend waar kerkuilen regelmatig broeden in een holle boom. Uit onderzoek blijkt dat slechts in 0,2 procent van alle broedgevallen een holte in een boom als nestplaats wordt uitgekozen!

In 2007 zijn er landelijk meer dan 3900 kerkuilenbroedsels geteld, in slechts één geval bleek dat aan een holle boom als nestplaats de voorkeur werd gegeven: het broedgeval in de kastanjeboom. Eigenlijk is in heel Nederland slechts één andere plek bekend waar kerkuilen in het nabije verleden in een holle boom hebben gebroed. Alleen in 2004, op Schouwen-Duiveland, werden in een boomholte met succes twee jonge kerkuilen grootgebracht. In andere landen, zoals in Groot Brittannië, is het percentage holleboombroeders onder de kerkuilen vele malen hoger. Wat bepaalt dan dat kerkuilen daar massaal kiezen voor een holle boom in plaats van een gebouw, terwijl het hier in Nederland een zeldzaamheid is?


Een kijkje in de boom!
foto:
Kerkuilenwerkgroep
Betuwe-Oost

De meest voor de hand liggende reden is natuurlijk het feit dat in een land als Groot Brittannië veel meer hele oude bomen met holtes te vinden zijn dan in ons kikkerlandje. Maar toch, dit verklaart niet waarom er in het ene deel van Groot Brittannië het merendeel van de kerkuilen boomholtes als favoriete nestplaats uitkiest en elders, net als bij ons, gebouwen weer de voorkeur hebben. Opvallend in de Engelse situatie is dat in het oostelijk gedeelte van het land meer dan 70 procent van de kerkuilen broedt in holle bomen, in het westen wordt echter bijna alleen maar gebroed in gebouwen. Het antwoord op deze grote verschillen lijkt te liggen in regen, sneeuw en wind, niet in de meer of mindere beschikbaarheid van geschikte bomen als broedlocatie. Hoe meer neerslag er valt des te vaker valt de keuze van kerkuilen op een droog gebouw in plaats van een vochtige boomholte. Naast slechtere broedresultaten blijkt een vochtige holte de jongen aan te zetten tot een vroegtijdig vertrek met alle nadelige gevolgen van dien bij slecht weer. Puur zelfbehoud van de kerkuilen dus!
De Nederlandse klimaatsituatie is redelijk vergelijkbaar met de westelijke situatie in Groot Brittannië. In Nederland zal het voorkomen van geschikte bomen echter zeker minder zijn, waardoor in Nederland het percentage holleboombroeders nog lager zal liggen.

Om een kerkuil een geschikte broedplaats te kunnen bieden dient er sprake te zijn van een grote oude boom, vaak een eik, iep of esdoorn, van minimaal 200 jaar oud! In jongere bomen zal een eventuele holte nog te klein zijn. Daarnaast moet deze boom bij voorkeur niet in een bos staan, maar meer solitair gesitueerd zijn in het buitengebied of op een landgoed. In ons broedgeval wordt voldaan aan deze eisen, er wordt gebroed in een schitterende eeuwenoude boom, weliswaar een kastanje, die staat op een prachtig, voor het publiek gesloten, landgoed. Ook op Schouwen-Duiveland werd voldaan aan de eisen, ook hier een oude boom, dit keer in een slotbos.

De foto hierboven geeft een prachtig kijkje in het binnenste van de kastanje. De broedplek, mooi droog, is veel ruimer dan gedacht en bood genoeg ruimte voor de vijf jongen die uiteindelijk succesvol uitvlogen. natuurlijk zijn we benieuwd waar de jonge uiltjes als broedende uilen weer opduiken, in een nestkast of weer in een holle boom? Wanneer jonge kerkuilen zelf voor het eerst gaan broeden hebben ze een voorkeur voor het type broedplaats (nestkast, boomholte, kale grond etc.) waarop ze zelf zijn grootgebracht. Dat het ondanks dat ook anders kan verlopen blijkt al gauw uit verhalen van een nabije buurman van de kerkuilen in de kastanjeboom: hij wist te vertellen dat er in zijn jongensjaren al kerkuilen broedden in de eeuwenoude linde die in hun voortuin staat. De laatste keer was rond 1968. De vogels verhuisden naar een schuur achter het erf toen de linde flink gesnoeid werd. Slimme jongens die kerkuilen, flexibel kiezen wat het beste uitkomt…
Paul Spierings en Jan Jacobs


Uit de Uilen Nieuwsbrief Jaargang 3 nummer 1 (2007)

Broedseizoen Betuwe-Oost

kerkuil in holle boom
foto:
Peter Bloemhard

De Kerkuil beleefde in 2006 een zeer matig broedseizoen in Betuwe-Oost. Er werden 24 broedsels bekend tegenover 48 in 2005. Een terugval van 50%. Van de 24 broedsels mislukten er 9, veelal in de eifase. Een broedend vrouwtje verlaat het legsel wanneer het mannetje te weinig prooien aanvoert voor haar. Een jaar met weinig veldmuizen waarop de uilen reageerden door weinig broedsels te produceren met kleine legsels. Er kwam gemiddeld slechts 1,5 jong groot. Ook het bijzondere broedgeval uit de binnenstad van Nijmegen bleek mislukt, er werden 3 koude eieren aangetroffen. Inspectie van de eeuwenoude tamme kastanje, waar in 2005 nog 4 jongen groot kwamen, leverde nu alleen verse braakballen op.

De foto uit 2005 is gemaakt door Peter Bloemhard en laat twee vliegvlugge jongen zien. Het eerste broedgeval voor 2007 is al weer binnen. Sneller dan verwacht bleken er op 5 maart, drie eieren te liggen in de kast van het voormalige NH-kerkje van Ooy. Het een en ander is te volgen via de webcam op de nieuwe site van de werkgroep www.kerkuilen.nu. Paul Spierings, de bewoner van het kerkje, is de maker van de site waarvoor we hem bijzonder dankbaar zijn. Op de site ook een kidspagina, gedacht wordt om die pagina in samenwerking met een klas (groep 6 of 7) te vullen. Verder staan op de site leuke terugmeldingen van onze uilen, zo blijkt onze oudste uil een Groesbeker te zijn en ook het afstandsrecord staat op naam van een Groesbeekse uil.
Jan Jacobs.



Links     website Kerkuilenwerkgroep Betuwe Oost
terug

Plotkaart

Overzicht van de nestplaatsen in het jaar 2001

Statistiek

Adressen     terug

Regio coordinator