Oehoes, Bubo Bubo
in de Achterhoek
Observatie en prooidieren

Gejo Wassink, presentatie op de Nationale Uilendag 2 november 2002
Click op de fotos om ze te vergroten / verkleinen

Na de ontdekking van het broedgeval van de Oehoe (Bubo Bubo) in de Achterhoek is op 17 juli 2002 een prooidierenonderzoek gestart. De volwassen Oehoes brachten steeds op dezelfde plaats prooien (buiten het broedbos), waardoor ter plekke een heus slagveld (lees "slachtveld") ontstond.
Overigens is het niet geheel verwonderlijk dat zich een paar Oehoes heeft gevestigd vlak over de Duitse grens.
Heel Nordrhein-Westfalen schijnt al 100 - 120 paar Oehoes te herbergen (M. Jöbges, Vogelschutzwarte NRW 2002).
In heel Duitsland wordt het broedbestand op ca. 800 paar geschat (Mebs & Scherzinger 2000).
Na een herintroductie gaat het de Oehoe bij onze Oosterburen kennelijk voor de wind.
Letterlijk deelden de Duitse onderzoekers mij het volgende mee : "Weil der Bestand in Deutschland zunimmt und sich ausbreitet, kann eine weitere Ansiedlung in den Niederlanden erwartet werden".

Methode
Het onderzoek bestond uit de volgende wekelijkse activiteiten:
1. opsporen en determineren van prooiresten in de onbegroeide randzone naast het broedbos.
2. avondobservaties vanaf 1 uur voor zonsondergang tot minimaal 1 uur daarna.
3. braakballenonderzoek.
4. postduivenonderzoek.
5. losse waarnemingen ( Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek) verzamelen.
6. informatie inwinnen bij dierenparken en collega's in Limburg en Duitsland.

De avondobservaties en het verzamelen van prooiresten vonden steeds plaats op verschillende dagen, teneinde het gedrag van de vogels (voor de observaties) zo min mogelijk te beïnvloeden.

Biotoop
Het broedbos is een relatief open, gemengd bos van Lariks, Grove den, Eik en Berk. Er is sprake van een spaarzame struiklaag en braamvegetatie als ondergroei. Aan de Noordoostzijde en rondom het horst voert Lariks duidelijk de boventoon. De afmetingen van het broedbos zijn 138*180 m., met een aangrenzende houtwal van 235*35 m. in Noordwestelijke richting. Er zijn verschillende kleine waterbiotopen in de onmiddellijke omgeving te vinden. Het bos ligt in feite geïsoleerd met rondom open gebied. Aan de Noordoost- en Zuidoostkant treffen we op zo'n 500 m. afstand grotere boscomplexen aan.
Over de aard van het open gebied doen we geen nadere uitspraken; behalve dat het grotendeels uit weilanden met enkele kleinere bosperceeltjes en her en der houtwallen bestaat. Opvallend is de onbegroeide randzone aan de Noordoostkant van het bos. De pullen verschenen altijd in deze bosrand, nooit zijn waarnemingen gedaan aan de Zuidwestelijke rand alwaar een weiland direct aan het bos grenst.
In Duitsland worden steeds meer Oehoes vastgesteld in "gewone bossen". Een groeve is niet noodzakelijk, maar verbetert klaarblijkelijk de habitatkwaliteit. Belangrijk is een vrije aanvliegroute naar het horst en grote open plekken in het bos. (M. Jöbges, Vogelschutzwarte NRW, 2002).


Foto 2. Juveniele Oehoe van ongeveer 56 dagen oud, 2 juli 2002, Achterhoek (Jan Stronks)

Nestgegevens
Het nest was een oud buizerdhorst waarop in 1997 voor het laatst een Buizerd jongen grootbracht. Het zat op 13 meter hoogte in een Grove Den. Vanwege de relatief open structuur van het bos en een bospad vlakbij het nest, was er sprake van een min of meer vrije aanvliegroute. Verder zijn er geen grote nesten meer aanwezig in het bos, alleen een oud Sperwer- en Kraaiennest. Het Oehoehorst was op 26 mei reeds voor het grootste deel (samen met 2 pullen) uit de boom gevallen. Het zat 45 m. vanaf de dichtstbijzijnde bosrand en 110 m. vanaf de Zuidoostrand. (gemeten met stappen en gecontroleerd met topografische kaarten).

Broedbiologische gegevens
Op 26 mei 2002 is door omwonenden de eerste foto gemaakt van 2 pullen die op de grond onder het nest lagen. Het oudste pul was ongeveer 21 dagen oud. De geschatte eilegdatum is dan 1 april (21 mei - 21 dagen - 33,9 dagen gem. broedduur). Het kleinste jong is uiteindelijk overleden, maar vanaf juli werden toch steeds 2 vliegvlugge pullen waargenomen. Er zijn dus minimaal 3 jonge Oehoes uitgekomen. Mogelijk heeft het derde jong nog lange tijd op de restanten van het horst gezeten zonder dat iemand dat in de gaten had.


figuur 1. activiteitenaanvang van 2 juveniele oehoes, Achterhoek 2002.

Gedrag van de 2 jonge Oehoes
De 2 jonge oehoes begonnen in juli en augustus meestal ruim 20 minuten voor zonsondergang te roepen. In september en oktober startten de activiteiten pas na zonsondergang. Bovendien hielden de jonge uilen zich toen steeds korter op bij het broedbos, en vertrokken tegen de schemering al snel naar het weilandengebied in het Noorden (tot +/- 500 m. van de broedplaats). Waarschijnlijk hebben ze daar zelfstandig gejaagd op prooien. Eind september en begin oktober verbleven de 2 vogels weer langere tijd bij het broedbos. Gezien de prooiresten hebben ze daar op Waterhoentjes gejaagd.

Het geluid van de jonge vogels zou ik willen omschrijven als een 'rauwe' kreet die erg veel lijkt op het geluid dat Vlaamse Gaaien maken. Gaaien laten het geluid echter vaak meerdere malen achter elkaar, onregelmatig en met verschillende toonhoogtes horen. Bij de jonge Oehoe is het 1 toon en lijkt daarmee ook veel op de kreet van een Blauwe Reiger. Deze bedelroep werd in juli en augustus gelijkmatig met tussenpozen van meestal ruim 5 seconden ten gehore gebracht, veelal gedurende de volle waarneemperiodes (af en toe pauzes). In september werd er behalve minder frequent ook minder lang geroepen en was het soms wel eens een uur helemaal stil.


Foto 1. Open gebied

Op 27 juli (leeftijd +/- 80 dagen) werd de eerste langere vlucht over 200 m. waargenomen; daarvoor werden steeds kortere vliegoefeningen van en naar 2 meter hoge zandheuveltjes geregistreerd. Vanaf deze datum werd overdag hoog in bomen gerust, daarvoor op de grond of op wortelkluiten. De vogels hadden 's avonds steeds een duidelijke voorkeur voor kale onbegroeide bodem. Vaak zaten ze op zandheuveltjes of gewoon op onbegroeide grond.

Na 22 juli zaten de pullen overdag altijd alleen in het broedbos. De ouders zijn na die datum niet meer in het bos waargenomen. Vanaf 11 oktober werd ochtends vlak voor zonsopkomst regelmatig een roepende Oehoeman gehoord in een bos zo'n 500 m. ten Noordoosten van de broedlocatie. Mogelijk was daar ook de roestplaats van de oude vogels.

De pullen vertoonden steeds schuw gedrag. Bij het zoeken naar prooien werden ze bijna wekelijks gezien en elke keer vlogen beide op als de onderzoeker tot op ongeveer 30 m. was genaderd. Beide vogels zaten nooit ver van elkaar en hadden geen vaste roestplaats. Na de verstoring was veelal de al eerder beschreven "bedelroep" hoorbaar, kennelijk fungeert deze dus ook als contactgroep tussen de jongen onderling.
Op 20-10-2002 werden de pullen voor het laatst gehoord, daarna alleen nog maar de baltsroep van de oehoeman.

Prooidierenonderzoek
Vanaf 2 juli zijn wekelijks de restanten van aangetroffen kadavers onderzocht en gedetermineerd. De prooien werden steeds verorberd in de onbegroeide randzone, en sporadisch in het broedbos. Nooit werden prooiresten gevonden tussen vegetatie. De meeste braakballen werden in de bosrand aangetroffen.

Braakballen
In totaal zijn 80 braakballen gevonden in 90 onderzoeksdagen (0,88 per dag). De ballen varieerden in kleur van bijna wit tot donkergrijs.

figuur 2. aantallen prooidieren in braakballen
Naast botjes, haren, veren, en postduivenringen, bevatten veel ballen klei en steentjes. Ditzelfde materiaal vinden we terug in de onbegroeide randzone naast het bos, alwaar de jongen veelvuldig gevoederd werden. Verder trof ik regelmatig graankorrels aan, hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit de maag van duiven.
Van 32 braakballen zijn maten genomen. De lengte varieerde van 44 - 111 mm. ,en de breedte lag tussen de 24 en 43 mm. (gemeten in ongedroogde vorm, 1 uur na de vondst).

De gemiddelde braakbal had als afmeting : 77*32 mm. Deze maten komen overeen met de maten genoemd in de literatuur.(Willgohs 1974 : 72*34 mm.). De kleinste braakbal (44*24 mm.) bestond uit uitsluitend stekels en haren van een Egel. De grootste(111*38 mm.) bevatte een volledige poot (tarsus+ 'voet') van een Waterhoen.

Schedels van prooidieren waren bijna altijd verbrijzeld, de onderkaken bleven wel heel. Zo'n 77% van de aangetroffen aantallen prooidieren in braakballen bestond uit vogels ter grootte van duiven, en 23 % uit zoogdieren.

Kadavervondsten
Bij de kadavers vonden we beduidend minder zoogdieren, omdat deze kennelijk in hun geheel worden verorberd. De samenstelling in absolute aantallen prooien was als volgt : 87% vogelprooien (ter grootte van een duif) en 13% zoogdieren (egel, konijn en haas e.a.).


figuur 3: prooidierenaantallen (kadavers+zoogdieren uit braakballen)

Braakballen + Kadavervondsten
In absolute aantallen gezien bestond 76% van alle gedetermineerde prooien uit vogels (57% duiven). De overige 24% werd gevormd door zoogdieren als: Egels, Ratten, Mollen, Woelratten, Muizen en Konijnen. Hierbij zijn aangetroffen zoogdieren in braakballen opgeteld bij de gevonden kadaverresten. Vogels uit braakballen zijn buiten beschouwing gelaten om dubbeltellingen te voorkomen.

Verder was de vondst van een voorpoot+schouderblad van een volwassen Ree (27-07-2002) natuurlijk bijzonder spectaculair. Veldwaarnemingen hebben echter aangetoond dat volwassen Reeën niet worden aangevallen, maar zoals de Oehoe ook terugkeert naar prooiresten, zo versmaadt hij eveneens aas en vleesafval niet (Glutz and Bauer 1980).

Overigens kan deze prooi natuurlijk ook nog door bijvoorbeeld een vos naar deze plek zijn gesleept. Verdere opvallende prooien waren een Steenuil en een Torenvalk (mannetje).



Tabel 1. prooidierenlijst van 2 juveniele Oehoes, Achterhoek 2002


Figuur 4. voedselspectrum van 2 juveniele oehoes in de Achterhoek

Postduiven als prooi
Binnen het prooidierenspectrum valt het hoge percentage postduiven (43% van de aantallen prooidieren) op. Het betrof voor het merendeel jonge duiven die overdag op trainingsvluchten (+/- 1 uur durend) waren of van het hok waren weggevlogen.
Deze bevindingen doen vermoeden dat de Oehoes regelmatig overdag moeten hebben gejaagd. Van 17 getraceerde vluchten lagen 9 vliegbanen dwars door of in de richting van het Oehoeterritorium, zodat bij het 'doorschieten' of lichte afwijkingen van de theoretische baan te verwachten viel dat de vogels in het jachtgebied van de uilen terecht zouden komen. Bij de overige vluchten lag het niet in de verwachting dat de duiven ook maar in de buurt van het Oehoeterritorium zouden komen, kennelijk zijn deze vogels flink afgedwaald.

Er zijn nauwelijks postduiven geslagen van duivenhouders die binnen een straal van 5 km. van het nest woonden Begin juli werd begonnen met de postduivenvluchten, eind augustus werden al veel duiven 'thuis gehouden' (i..v.m. rui), en rond 15 september werden de laatste vluchten georganiseerd.

Voedselopname in biomassa uitgedrukt
In het voorgaande is steeds uitgegaan van aantallen prooien. In feite is dat geen correcte weergave, omdat de biomassa per kadaver verschilt. In tabel 1 is rekening gehouden met de gemiddelde gewichten van de verschillende prooidierensoorten. (naar Bijlsma 1993 en Lange 1986). Door deze wijze van benadering valt op dat het konijn plotseling een veel belangrijkere rol inneemt.
Vogelprooien maakten als biomassa 60% (duiven 43%) van het totaal uit en zoogdieren 40%. Postduiven vormden de absolute hoofdprooi. Vanaf begin september werden er echter steeds minder postduiven geslagen. De leemte in het voedselspectrum werd opgevuld met Egels en Waterhoentjes. Een plausibele verklaring is het feit dat er vanaf eind augustus steeds minder postduiven aan vluchten meedoen, en dat rond 15 september helemaal geen duivenvluchten meer plaats vinden. Een mooi gegeven is natuurlijk dat Egels in deze tijd meer activiteiten ontplooien teneinde goed vet een winterslaapplaats te kunnen betrekken.

Prooibehoefte
In totaal zijn in de periode 2 juli - 11 oktober 155 prooidieren gedetermineerd. (kadavers + braakballen; exclusief vogelresten uit braakballen !!). Omgerekend zijn dat 1,5 prooien per dag. De meeste prooien waren vogels ter grootte van duiven.Zie voor meer details tabel 1.

Rekenen we de gevonden kadaverresten om in biomassa, dan ontstaat de volgende grafiek :

Figuur 5. aangetroffen kadavers ( biomassa) per dag van 2 juveniele Oehoes in de Achterhoek. (1 staaf omvat +/- 1 week).

Na 3 augustus is de aanlevering van de hoeveelheid voedsel sterk toegenomen; het oudste pul was toen ongeveer 90 dagen oud. Deze verandering in prooidierenaanvoer valt grotendeels samen met een duidelijke verandering in activiteiten; de pullen verschenen reeds voor zonsondergang in de bosrand, vertoonden meer vliegactiviteiten en begaven zich opmerkelijk verder uit de bosrand. Bovendien roestten ze vanaf 27 juli in de bomen en daarvoor op de grond. Het lijkt me dan ook aannemelijk om te concluderen dat er bij deze uilen omstreeks de 90-ste dag een grotere vraag naar voedsel was door de verhoogde bewegingsactiviteiten van de jonge vogels. Na 19 augustus vlogen de pullen ogenschijnlijk moeiteloos, na de aanvankelijk explosieve consumptietoename vond er toen ook een stabilisatie plaats (ruim 500 gram aangetroffen biomassa per dag).

Controle op de onderzoeksresultaten
Dit artikel, wekt misschien de indruk dat steeds alle prooiresten betreffende 2 juveniele Oehoes zijn gevonden. Natuurlijk is dat niet het geval. Om te onderzoeken of het plaatje toch enigszins klopt heb ik navraag gedaan bij verschillende dierenparken, om vast te stellen hoeveel voedsel een Oehoe in gevangenschap nodig heeft.

Valkenier Hueben uit Aalten voerde zijn 16 weken oude Oehoe 4 eendagskuikens en een halve rat per dag (ongeveer 290 gram). Deze Oehoe maakte dagelijks korte oefenvluchten. In verschillende dierenparken wordt volstaan met 1 tamme rat (260 gram) of 6 eendagskuikens (240 gram) per dag. Volgens de literatuur is de voedselbehoefte van een in gevangenschap levende volwassen Oehoe gemiddeld 230 gram per dag (Herrlinger 1971b).

Wilde Oehoes hebben in principe meer voedsel nodig, aangezien ze veel meer energie verbruiken voor het vangen van prooien. Jonge Oehoes verbruiken relatief gezien zo'n 10% meer energie dan adulte exemplaren (J. Nijbroek; voedingsspecialist Diergaarde Blijdorp; naar Kirkwood, 1991).

In het navolgende wordt rekening gehouden met het feit dat we slechts 0,88 braakballen per dag vonden, terwijl minimaal 1 braakbal per dag per vogel geproduceerd wordt (Glutz en Bauer 1980). Uit berekeningen blijkt dan dat wilde adulte Oehoes zo'n 419 gram voedsel per dag nodig hebben (= 10% minder dan de gemiddeld berekende biomassa per dag voor uitgegroeide pullen in dit onderzoek). Jonge wilde Oehoes (vanaf 50 dg.) hebben gemiddeld zo'n 378 gram (= gemiddeld aangetoonde biomassa per dag uit dit onderzoek) nodig. Natuurlijk stijgt de consumptie naarmate de jonge vogels ouder worden. In juli werd gem. 262 gram per dag geconsumeerd, terwijl na juli 466 gram per dag genuttigd werd door de geheel uitgegroeide jonge uilen.
Dit betekent dat per dag zo'n 1594 gram aan prooidieren nodig moet zijn geweest voor de Achterhoekse Oehoefamilie. Dat komt in de praktijk neer op bijvoorbeeld 4 postduiven +1 rat. Wanneer echter een volwassen konijn van gem. 1900 gram wordt gevangen, is er voor het hele gezin voor ruim 1 dag voedsel !!

Omdat in dit onderzoek gemiddeld 640 gram biomassa per dag werd aangetroffen, is het zeer aannemelijk dat de adulte Oehoes hun prooien elders verorberden. Verder zouden we dan 116 gram per dag gemist moeten hebben. In werkelijkheid zullen zoogdieren dan ook hoogstwaarschijnlijk een grotere rol spelen dan de getallen in dit onderzoek aangeven.

Limburgse Oehoes
Wat betreft de Limburgse Oehoes, kunnen we melden dat er twee broedparen in kalksteengroeves hebben gebroed, die in 2002 ook allebei succesvol waren. De voedselkeuze van 1 paar toont veel gelijkenis met de resultaten uit dit onderzoek. De Postduif komt echter minder voor. Het dieet wordt gedomineerd door Zwarte Kraai. Onder de zoogdieren zijn Woelrat en Egel het belangrijkst. Konijn is schaars. Ook in Limburg neemt in de nazomer en herfst het aandeel zoogdieren binnen het voedselspectrum toe. Als bijzondere prooien worden genoemd : Buizerd, Ransuil, Bosuil, Kerkuil, Steenuil en Torenvalk (P. Voskamp, 2002).

Samenvatting
In mei 2002 werd in de Achterhoek een broedsel van de Oehoe aangetroffen. Er zijn minimaal 3 pullen aanwezig geweest. Een van de pullen heeft het niet overleefd, de twee overige jongen zijn regelmatig vliegend waargenomen nabij het broedbos.
Het nest betrof een oud buizerdhorst op 13 meter hoogte in een grove den. Het nest zat op zo'n 45 meter uit de bosrand. Het bos was een gemengd bos, maar rondom het nest voerde lariks de boventoon. De prooien (omgerekend naar biomassa) die zijn aangetroffen bestonden voor 60% uit vogels (43% duiven) en voor 40% uit zoogdieren (Egel, Rat, Mol, Woelrat en muizen).
Maar liefst 31% van de berekende biomassa is gedetermineerd als postduif (43% van het aantal prooidieren). Het ging in de meeste gevallen om jonge duiven die overdag hebben gevlogen. Opvallende prooien waren een Steenuil en een Torenvalk. Verder werd een voorpoot van een Ree aangetroffen , maar het is niet duidelijk of dit tot de Oehoeprooien mag worden gerekend.
Aan de hand van kadavervondsten werd in de periode 2juli-11 oktober 640 gram biomassa per dag aangetroffen . Dat is 320 gram prooidier per jong per dag. Inclusief braakballenvondsten werd becijferd dat adulte Oehoes 419 gram voedsel per dag nodig zouden hebben. Jonge Oehoes (vanaf dag 50) hebben dan 378 gram per dag nodig.

Begin augustus veranderde het gedrag van de 2 jonge Oehoes. Ze vertoonden meer vliegbewegingen en kwamen verder uit de bosrand. Vrijwel gelijktijdig is aangetoond dat de prooiaanvoer explosief steeg. De volwassen Oehoes moeten regelmatig overdag hebben gejaagd. Toen de pullen nog op het nest zaten is een adult gezien die overdag prooi aanbracht. Verder is een adult geobserveerd die ruim voor de schemering prooi aanvoerde. Bovendien werden veel jonge postduiven verorberd die overdag hebben gevlogen.

In en rondom het broedbos komen regelmatig mensen, de toekomst moet uitwijzen of dergelijke verstoringen binnen de tolerantiegrenzen van de oehoes liggen.


Foto 3. Adulte Oehoe op de broedlocatie, Achterhoek, mei 2002

Literatuur
Bijlsma Rob G. (1993): Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels.
Gluts von Blotzheim U.N. & Bauer K.M. (1980) : Handbuch der Vogel Mitteleuropas 9. Akademische Verlagsgesellschaft, Wiesbaden.
Herrlinger E. (1971) : Der Uhu in der Eifel, Vorlaufige Resultate seiner Wiederansiedlung. Charadrius 7, 101-105.
Jong J. de (1995) : De kerkuil en andere in Nederland voorkomende uilen.
Lange R. et al.(1986) : Zoogdieren van de Benelux Herkenning en onderzoek. Erla, Amsterdam.
Mebs T.(1987): Uilen van Europa. Thieme, Baarn.
Nijbroek J. (Voedingsspecialist Diergaarde Blijdorp) 2002. : e-mailcorrespondentie
Noord-Hollandse Zoogdierstudiegroep en KNNV Uitgeverij (1999) : Braakballen pluizen.
SOVON : e-mailcorrespondentie
The complete Birds of the Western Paleartic (CD-rom)
Willgohs J.F.(1974) : The Eagle Owl in Norway. Part I. Food ecology. Sterna 13, 129-177.

_______________________________________________
G.J. Wassink
Europaweg 40a
7137 HN Lievelde
gejowassink@hetnet.nl