In het voorjaar van 2002 werd in de Achterhoek op een relatief drukke locatie een broedgeval van de Oehoe Bubo bubo vastgesteld. Nadat de vogels tal van menselijke activiteiten te verstouwen kregen, waren de verwachtingen in 2003 hooggespannen.
Even leek het erop dat de Achterhoekse Oehoes ,na de succesvolle broedpoging in 2002, waren verdwenen. Ondanks verschillende avondexcursies in februari en maart werd namelijk niets meer vernomen van deze reusachtige uilensoort. Ook geluidsnabootsing leverde niets op.
Er werd ook in de wijde omgeving geluisterd en gezocht, omdat bekend is dat Oehoes na verstoring vaak elders binnen het vertrouwde territorium een nieuwe broedplek zoeken.
De verstoring door menselijke activiteiten in 2002 was niet bepaald kinderachtig; omwonenden hebben bijvoorbeeld op 9 verschillende dagen zowel adulte als juveniele vogels gefotografeerd bij het nest dat met 2 jongen naar beneden was gevallen. Ook werd er regelmatig in en langs het broedbiotoop gewandeld met honden.
In het bos waren hutten gebouwd, en op een avond hoorden we vanaf 200 m afstand dan ook luid schreeuwende kinderen in het bosperceel. Verder hebben we verschillende keren waargenomen dat een jager het bos doorstruinde, waarbij zelfs een keer werd geschoten. Daar komt nog bij dat ook de onderzoekers verschillende keren oog in oog met de uilen hebben gestaan.
Tot overmaat van ramp werd het bos deels gekapt. In overleg met de eigenaar hebben we het nog voor elkaar gekregen dat de boswerkzaamheden in oktober zouden gaan plaatsvinden, en dat er een 35 m brede bosrand zou blijven staan. In deze rand en op 2 andere plaatsen in de omgeving hebben we in november een drietal kunstnesten opgehangen, omdat er in de omgeving geen roofvogelnesten voorradig waren. Het feit dat deze actie als zinloos werd bekritiseerd, samen met de waslijst van verstorende invloeden en alle vruchteloze avondexcursies, deed ons geloven dat de Oehoes de Achterhoek wel voor gezien hadden gehouden.
Resultaten
Broedresultaten
Het kunstnest was opgehangen in een zomereik op ongeveer 8 meter hoogte. De eik bevond zich op zo'n 10 m afstand uit de bosrand, welke direct grenst aan open water. Het nest is een vlechtwerk van takken op een basis van gaas, en ligt stevig verankerd in de vork van de boom.
Op 25 mei werden 2 volwassen Oehoes bij het nest gezien. De Oehoe die vlak naast het nest zat alarmeerde, waarna het tweede exemplaar kwam aanvliegen. Vermoedelijk waren de jongen toen reeds uitgevlogen, omdat op 3 juni op 200 m afstand een vliegvlug jong werd gehoord.
Op 5 juni werden 3 uitgevlogen jonge Oehoes aangetroffen. Gezien het verenkleed en de soepele manier van vliegen schatte ik de leeftijd van het oudste pul op zo'n 80 dagen. Het eerste ei zou dan rond 20 februari al moeten zijn gelegd. Dat is ruim een maand eerder dan in 2002 !! (geschat legbegin 2002 : 1 april)
In de literatuur vond ik 1 andere melding van een Oehoepaar dat op een soortgelijk kunstnest in een grove den heeft gebroed (Schnurre 1936). Gedrag In tegenstelling tot vorig jaar hadden de jonge vogels nu wel een voorkeur voor een bepaalde roestplaats. Het ging om een rij eiken vlak naast de zandheuvels van het zanddepot; zo'n 200 m van het nest verwijderd. Als ze daar werden verstoord vlogen ze herhaaldelijk naar een klein bosje zo'n 50 m verderop. In de onmiddellijke omgeving van het nest werden ze niet meer waargenomen. Ook dit jaar werd de gaaiachtige roep van de pullen (Wassink 2003) herhaaldelijk ten gehore gebracht. De adulte vogels zijn overdag nooit waargenomen bij de jongen. Ze zaten op verschillende roestplaatsen, steeds op zo'n 100 - 200 m afstand, meestal in de buurt van het gebruikte nest.
![]() Grafiek 1. percentage kadaverresten per week (2003) |
Prooien Zowel in 2002 als 2003 nam de postduif de belangrijkste plaats binnen het voedselspectrum in. (52% van de aantallen en 39% van de biomassa). Als tweede op de prooidierenranglijst staat de Egel (11% van de aantallen en 18% van de biomassa). Verdere belangrijke prooien zijn : Konijn, Kraai en Houtduif (samen 12% van de aantallen en 23% van de biomassa). |
![]() Grafiek 2. percentage kadaverresten per 2 weken (2003) |
In beide jaren constateerden we dat het aandeel postduiven in het menu tot eind augustus toenam om vervolgens in de loop van september weer snel af te nemen. Het 'hoogtepunt' viel in 2003 echter zo'n anderhalve maand eerder dan in 2002. Mogelijk heeft dit te maken met het feit dat het geschatte broedbegin in 2003 ook ruim een maand eerder viel. (2002: 1 april en 2003: 20 februari). Na eind augustus worden er steeds minder postduivenvluchten gehouden in verband met de intredende rui. Twee waarnemingen van een Oehoe in de randzone van een 1 km verderop gelegen stad wijzen erop dat de postduiven naar alle waarschijnlijkheid in het donker van gebouwen werden geplukt Na het uitvliegen van de 3 jongen werd een zanddepot gebruikt als plukplaats. De toppen van de verschillende zandheuvels waren rijkelijk bekleed met afgerukte postduivenveren. Ook vorig jaar werden zandheuvels en kaal terrein als plukplaats gebruikt. |

Uit de prooidierenlijst blijkt dat er in 2003 meer postduiven en tamme duiven werden aangetroffen dan vorig jaar. (2003: 66% en 2002: 49%). Het is denkbaar dat dit te maken heeft met de kleinere afstand tot de nabijgelegen bebouwing, waar hoogstwaarschijnlijk op postduiven werd gejaagd. Het nest was vorig jaar namelijk 700 m verder van de stad verwijderd. In 2003 werden minder ratten en muizen aangetroffen, maar dat beeld is vertekend, omdat we ook beduidend minder braakballen hebben gevonden. En juist resten van ratten en muizen zijn alleen terug te vinden in braakballen.
Discussie
Vanaf half februari tot half maart werden verschillende excursies gehouden in de Achterhoek, ten einde het broedpaar zelf en eventuele andere territoria vast te stellen.
Nooit is iets van de uilen vernomen. Op de broedlocatie is zeker op 5 verschillende avonden gepost en is ook gewerkt met geluidsnabootsing (zowel met een cd-speler als met stemnabootsing). Omdat dit alles niets opleverde hebben we in april de moed opgegeven en de plek met rust gelaten.
Omdat de uilen toch succesvol hebben gebroed vragen we ons af wanneer het mannetje zijn baltsroep ten gehore heeft gebracht. In de literatuur wordt vermeld dat de roep veelvuldig te horen is voor en in het begin van de broedtijd van februari tot april (Glutz von Blotzheim & Bauer 1980). Dat is ook de reden waarom wij in die tijd hebben gepost.
Gezien het geschatte legbegin van 20 februari (ruim 1 maand eerder dan vorig jaar !!) sluiten we de mogelijkheid niet uit dat we te laat waren met onze excursies. Mogelijk neemt de roepactiviteit van het mannetje af nadat het vrouwtje al een tijdje broedt. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn dat mannetjes zonder concurrentie in de omgeving minder frequent roepen. De hoogste roepactiviteit die wij hebben vastgesteld vond plaats in de periode half oktober - half november. ( 2 ochtenden vlak voor zonsopkomst en 2 avonden vlak na zonsondergang).
Voor het inventariseren heb ik na onze ervaringen voorlopig het volgende advies.Ondanks intensieve zoekacties bleek in de Achterhoek echter dat Oehoes dus ook heel stiekem kunnen zijn. Oehoes die er tussendoor glippen kunnen dan nog worden aangetroffen tijdens het controleren van oude roofvogelnesten in het kader van roofvogelonderzoek. De ervaringen in het afgelopen jaar bevestigden ook het vermoeden dat er in Nederland al op tal van andere plaatsen gebroed kan worden zonder dat dit is opgemerkt. Samen met het feit dat er ook broedgevallen geheim zullen worden gehouden maakt dit het volgen van de ontwikkelingen moeilijker dan in eerste instantie werd gedacht. Ook in Duitsland blijkt het vinden van Oehoes in bosgebieden (zonder steengroeven e.d.) een lastige opgave (M. Jöbges), de meeste paren worden daar ontdekt in afgravingen en steengroeven. De Duitse onderzoekers spreken van een duidelijke trend daar waar het gaat om Oehoevestigingen van de laatste jaren : Met name in De Eifel, Niedersachsen, maar ook in Thüringen dringen Oehoes steeds verder het vlakke land binnen, en komen tot broeden in agrarische cultuurlandschappen met weinig bos en zonder rotsachtig gebied of steengroeven ! In het vlakke land voor de Eifel broeden ze veelal in kiezelgroeven, en in Thüringen in kleinere bossen met buizerdnesten. Het broeden in roofvogel- en reigernesten wordt ook steeds vaker geconstateerd. (Dalbeck 2003, persoonlijke mededeling).
Duitse onderzoekers spreken de laatste jaren ook over een veranderende trend in het prooidierenspectrum . Zo nemen duiven (C. palumbus en C.livia) en Ratten (Rattus norvegicus) aanzienlijk toe en Hamster (C. cricetus) en Patrijs (P. perdix) duidelijk af. Ook Konijnen (Oryctolagus cuniculus) worden de laatste jaren minder vaak als prooi aangetoond. Als oorzaak wordt de ziekte RHD (Rabbit Haemmorrhagic Disease = China -ziekte) genoemd. Ook in Spanje zijn Konijnenpopulaties op grote schaal door RHD gereduceerd, en daarmee ook het aantal jonge Oehoes dat uitvloog. (Dalbeck 2003, persoonlijke mededeling).
Algemeen wordt er vanuit gegaan dat de Oehoe geen voedselspecialist is. Het feit dat er zoveel postduiven worden gevangen betekent dan ook niet dat de Oehoe zich heeft gespecialiseerd, maar dat de postduif een veel voorkomende en/of gemakkelijk te bemachtigen prooisoort is. Voor egels geldt hetzelfde (met name later in het seisoen).
Roofvogels en uilen werden door de Achterhoekse Oehoes nog niet veel geslagen, slechts 1,7% van het totale aantal prooien.(2 Torenvalken, 2 Kerkuilen en 1 Steenuil). In de literatuur wordt vaak over zo'n 8% gesproken. In de Eiffel vond Dalbeck ca.7600 prooien, waarvan 241 Buizerds en 289 Ransuilen (totaal 6,9%).
In het Achterhoekse territorium hebben Buizerds een jong grootgebracht en zijn ook baltsende Ransuilen gehoord. Deze zijn tot nu toe niet tussen de prooiresten gevonden. Ik kan me voorstellen dat het voor de Oehoes gemakkelijker is om enkele postduiven te slaan dan een soort als de Buizerd. Interessant is dan ook de vraag wat toekomstige Nederlandse Oehoes, in gebieden zonder postduiven als stapelvoedsel, gaan eten. Overigens wordt in de literatuur telkens weer gemeld dat wilde Oehoes menselijke bebouwing actief mijden. Bij Alle gevallen in Duitsland die het tegendeel lieten zien, bleek het om uitgezette vogels te gaan (Schnurre 1936). Dit bevestigt de uitspraak dat het bij de Achterhoekse Oehoes om vogels gaat die afkomstig zijn uit Duitsland, waar in de jaren tachtig herintroductieprojecten plaatsvonden. (Wassink 2003). Ik kan me voorstellen dat jonge uilen die van dergelijke ouderparen afstammen ook minder mensenschuw zijn dan de echte wilde soortgenoten in onherbergzame gebieden.
Mede door de publicatie in 2002 zijn er bij de schrijver van dit artikel verschillende onbevestigde waarnemingen van Oehoes binnengekomen. Het gaat om waarnemingen van zowel ervaren vogelaars als van particulieren uit de provincie Gelderland. Het gaat dan om uitspraken als : "Een enorme uil zat in de schemering op een boerenschuur", "Een enorme bruine vogel vloog in het schemerdonker voor me uit" , "Langs de autobaan bij Arnhem is een Oehoe gezien", " Op een hoogzit bij een moerasgebied hebben Oehoes gebroed".
Helaas kunnen we met deze gegevens niets meer dan ze te noteren. Met name de laatst genoemde waarneming is onderzocht. We vonden in het bewuste moerasgebied tot nu toe plukresten van Zwarte kraai, Sperwer, Fazant en postduif, maar dat kan ook het werk van de plaatselijke Havik zijn geweest. Wel troffen we een braakbal van 6,5 * 3,5 cm. aan. Deze braakbal bevatte de resten van waarschijnlijk een Grote Lijster, en kan heel goed van een Oehoe afkomstig zijn. Haviken hebben wel eens braakballen van 6,5 cm. lang, maar 3,5 cm breed lijkt wat te veel van het goede (Bijlsma 2003, persoonlijke mededeling).
Overigens zijn er in Nederland in het verleden ook wel waarnemingen gemeld. Zo werd er eind 1984 bij Rijssen in Twente een geringde Oehoe doodgereden. Deze vogel was in 1983 geringd in Tierpark Solingen (Roergebied) en uitgezet bij Hagen in het Teutoburgerwoud. Verder verbleef in Twente in de jaren zestig lange tijd een Oehoe op een landgoed bij Beuningen (gem. Losser) en zat er 7 jaar lang een Oehoe in de duinen bij Den Helder.(De Bruijn 1988). Verder werd er op 7-10-2000 een oehoe doodgereden in Noordwolde. Uit Limburg zijn zeker 25 waarnemingen bekend, waarvan enkele ook op een bezet territorium duidden.(P. Voskamp persoonlijke mededeling).
Na alle contacten met Duitse onderzoekers, mailing en literatuurgesnuffel, ben ik er van overtuigd dat er anno 2003, met name in Oost Nederland, meerdere Oehoes moeten hebben gebroed, of in ieder geval aanwezig waren. Met name bosrijke gebieden die grenzen aan waterrijke gebieden, vuilnisbelten, groeves of stedelijk gebied (industrieterreinen) lijken mij kansrijke plekken. In Gelderland denk ik dan bijvoorbeeld aan de Zuidelijke Veluwerand bij Arnhem, Rheden en Dieren. Hier vinden we grote bosgebieden, stedelijk gebied en de rivieren Nederrijn en Ijssel. Het lijkt me dat daar zowel watervogels en postduiven als stapelvoedsel aanwezig zijn. Bovendien is uit dit gebied reeds een onbevestigde waarneming van een Oehoe bekend geworden. Verder zijn allerhande moerasgebieden met aangrenzend bos- en cultuurlandschappen potentiële Oehoegebieden.
In Limburg waren in 2003 weer 2 territoria bezet. Een van de twee nesten is waarschijnlijk mislukt, nadat het mannetje dood werd gevonden. Het andere paar had aanvankelijk 3 jongen waarvan er 2 zijn uitgevlogen. Een van deze twee was een jong mannetje en is als prikkeldraadslachtoffer gevonden. In oktober kon deze Oehoe weer worden vrijgelaten. (P. Voskamp 2003; persoonlijke mededeling).