(2005)

Gejo Wassink
Click op de fotos om ze te vergroten / verkleinen Uit de Uilen Nieuwsbrief Jaargang 1 nummer 1 (2005)

Is er een toekomst voor de Oehoe in Nederland ?

In Duitsland staat de Oehoe in 2005 volop in de schijnwerpers. Na een geslaagde herintroductie bij onze oosterburen is deze uilensoort uitgeroepen tot "Vogel des Jahres".
Rond 1965 was de Oehoe daar zo goed als verdwenen, onder andere door menselijke vervolging.

De afgelopen 40 jaar hebben de Duitsers geprobeerd deze toppredator te redden van de ondergang middels grootschalige herintroductieprogramma's. En dat laatste is gelukt. Zo goed gelukt zelfs dat er zich de laatste jaren steeds meer 'reuzenuilen' vestigden in de vlakke gebieden tussen de Nederlandse grens en het Duitse middelgebergte.
En ook Nederland zelf herbergt tegenwoordig een aantal oehoeterritoria. Het eerste goed beschreven broedgeval werd in 1997 in Limburg ontdekt. In 2004 kwamen er al vijf paar voor in Limburg en één in de Achterhoek. Bovendien werd in de omgeving van Venlo nog een oehoejong gevonden, maar de broedlocatie is daar niet gelokaliseerd.
Met name het Achterhoekse broedgeval werd gezien als belangrijke stap voor een eventuele verdere kolonisatie van Nederland. Maar of de oehoe buiten Limburg daadwerkelijk een opmars zal doormaken is nog maar de vraag, want is er wel voldoende voedsel in Nederland voor zo'n toppredator ?


Figuur 1.
Oehoe waarnemingen op basis van
5x5 km-hokken in de periode 1960-2005
Gejo Wassink 2005

Waarnemingen
Na de ontdekking van het Achterhoekse broedgeval in 2002 is een intensief voedselonderzoek gestart en is een database aangelegd van alle oehoewaarnemingen in Nederland.

Op 10 februari 2005 waren er 205 waarnemingen geregistreerd. Laten we de ontsnapte vogels en de uilen die bij de broedlocaties zijn gezien buiten beschouwing, dan blijven er 75 waarnemingen over.(zie figuur 1).
(exclusief waarnemingen van ontsnapte en bij de broedlocaties gelokaliseerde uilen)

Ook al zijn 29 van deze uilen (wegens gebrek aan bewijsmateriaal) als onzekere waarneming bestempeld, toch geeft figuur 1. naar mijn mening een goed beeld van het voorkomen van de oehoe buiten de broedtijd. Bovendien zijn de beschrijvingen dusdanig goed dat het in de meeste gevallen wel degelijk om oehoes zal zijn gegaan.





Oehoejong in de Achterhoek (foto: Gejo wassink)

Reuzenuilen
Opvallend is dan dat de reuzenuilen met name zijn opgemerkt in het Zuidoostelijk deel van Nederland. In het Noorden en Westen van ons land zijn ze amper gezien.
Dat beeld is goed te verklaren, als we bedenken dat er in Nieder-Sachsen geen oehoes voorkomen.

Het oehoebolwerk begint pas bij het Teutoburgerwald dat niet ver over de grens bij Enschede begint. Ook de meeste waarnemingen zijn gedaan ten zuiden van de lijn Enschede/IJmuiden. Met name in Zuid-Limburg, de Achterhoek en rond Enschede zien we enige concentraties van waarnemingen. Aangezien in de eerste twee gebieden gebroed wordt is dat niet verwonderlijk. En wie weet zal het eerstvolgende broedgeval in Twente worden ontdekt.

Voedsel
Vanaf 2002 zijn er zo'n twee keer per maand bezoeken gebracht aan het Achterhoekse territorium teneinde voedselresten en braakballen te verzamelen. In totaal zijn 579 prooien gedetermineerd.
De postduif is duidelijk het hoofdvoedsel met 38% van de aantallen prooidieren, gevolgd door Houtduif met 16% en Egel met 7% (figuur 2). Met name in 2004 werden ook veel Meerkoeten gegeten. Bij de postduiven ging het in bijna alle gevallen om afgedwaalde jonge duiven die normaliter niet meer bij de duivenhouders terugkeren. Er werden geen duiven gevonden die afkomstig waren van duivenhouders uit het oehoeterritorium zelf.

Gedurende het seizoen verandert het prooidierenaanbod en daarmee ook het menu van de oehoe. Vanaf mei tot en met augustus speelt de postduif een steeds belangrijkere rol in het oehoedieet. Dat correspondeert met het toenemende aantal duiven dat meedoet aan wedvluchten. Na augustus treedt bij de postduiven de rui in en doen er steeds minder mee met de wedstrijden. We zien dat de oehoe (bij gebrek aan postduiven) dan meer egels gaat eten tot in november de houtduiventrek begint. Vanaf dat moment is de houtduif gedurende de gehele winter de belangrijkste prooi.
Het onderzoek in 2002 toonde aan dat een uitgegroeide oehoe ruim 370 gram voedsel per dag nodig heeft. Dat betekent dat er dagelijks een prooi zoals postduif, houtduif, kerkuil of rat moet worden gevangen.


Figuur 2. aantallen prooidieren van de Achterhoekse oehoe in de periode 2002-2005.G.J. Wassink

Discussie
In de literatuur wordt de oehoe steeds beschreven als broedvogel van berggebieden of steengroeven, maar in toenemende mate wordt er ook gebroed in allerlei grind-, zand- en leemgroeves. Bovendien heeft zich in Sleeswijk Holstein (Noord-Duitsland) een populatie ontwikkeld die niet gebonden is aan groeves of bergen, en zelfs voor het grootste deel uit boombroeders bestaat [Asmussen 2003]. Ook het Achterhoekse paar broedt al drie jaar op een boomnest. Dit alles geeft moed als we graag meer oehoebroedparen willen zien in Nederland.

Maar de medaille heeft een keerzijde. Een oehoe is groot en zwaar (vrouwtje weegt zo'n drie kilo en heeft een spanwijdte van ongeveer 1.70 m.). Zo'n monster moet veel eten….heel veel eten ! Het onderzoek toonde aan dat er per dag zo ongeveer een rat of duif per oehoe naar binnen moet worden gewerkt. Een alleenstaande 'reuzenuil' kan zich dan misschien nog wel redden in het Nederlandse landschap, maar hoe zit dat met een uilenpaar dat bijvoorbeeld twee jongen moet grootbrengen ? Dan moeten er vier snavels gevuld worden. Het menu voor een dag zou dan kunnen zijn : twee ratten, een postduif en een houtduif. Dat lijkt misschien nog te doen, maar bedenk dat oehoejongen tot november in het ouderlijk territorium kunnen blijven. In de periode mei-november (184 dagen) zouden op basis van het voornoemde dieet dan 368 ratten, 184 postduiven en 184 houtduiven moeten worden gevangen. Zo'n enorme hoeveelheid voedsel is alleen in speciale gebieden te vinden, bijvoorbeeld daar waar moeras, open water, industrieterrein, bos, en half open cultuurlandschap elkaar treffen. Een uitkomst zou het Konijn kunnen zijn. Een konijn dekt de totale voedselbehoefte van het gezin voor een hele dag (er blijft dan zelfs nog wat over). Maar helaas zijn de meeste konijnenpopulaties weggevaagd door het Viraal Hemorragisch Syndroom (virusinfectie). Ook gaat het met de houtduif in Nederland niet daverend.

Kortom:
De oehoe verschijnt op het moment dat twee belangrijke prooidieren het in Nederland laten afweten.

De uil moet dan wel erg vindingrijk zijn als hij in Nederland vaste grond onder de klauwen wil krijgen. Mocht hij daarin slagen dan zullen we hem vermoedelijk het eerst aantreffen in gebieden met hoogteverschillen in de vorm van stuwwallen, zand- of leemgroeves, oude vuilnisbelten en dergelijke. Dit alles in combinatie met waterrijke gebieden en half open cultuurlandschappen. Vlak over de grens in Duitsland zijn nog verschillende van dergelijke gebieden (grote zandgroeves) te vinden die nog niet door oehoes bezet zijn. De komende jaren moet eerst maar eens blijken of deze fraaie Duitse zandgroeves vlak over de grens ontdekt worden door deze uilensoort. Als intussen het konijn flink zijn best doet, blijft de kans bestaan dat het aantal oehoes in het grensgebied van Nederland en Duitsland nog in aantal zal toenemen.

Maar zelfs als de oehoe voet aan wal krijgt moeten we niet te optimistisch zijn. Als bijvoorbeeld recreatie in Limburgse steengroeves toeneemt zal de oehoe daar waarschijnlijk weer verdwijnen. Ook is het gebruikelijk om steile wanden van groeves uiteindelijk weg te werken onder flauw aflopende taluds. Verder worden veel zandgroeves in Duitsland op den duur weer volgestort met materiaal. In de Zandgroeves wordt bovendien vaak met crossmotoren gereden, en vinden mountainbikers het een uitdaging om hellingen te overwinnen die voor oehoes als broedplaats in aanmerking kunnen komen. Als we de oehoe een dienst willen bewijzen, zullen er afspraken gemaakt moeten worden met bijvoorbeeld eigenaren van groeves. Juist in zandgroeves moet er naar gestreefd worden ergens een steile wand van minimaal acht meter hoog en zo'n 50 meter lang te laten staan. Bovenop kan zo'n wand ingeplant worden met braam en/of meidoorn waardoor het geheel voor kinderen niet meer bereikbaar is. Bovendien heeft de oehoe dan rugdekking als hij bovenop de wand broedt. Dergelijke acties zijn niet alleen waardevol voor de oehoe, maar ook voor bijvoorbeeld de oeverzwaluw.

Dat het kan bewijst de eigenaar van een zandgroeve bij Wesel. Daar is in de groeve een eiland gecreëerd (nadat de bestaande zandwand was verdwenen) waar we een nestkast hebben ingegraven in één van de steile wanden. In 2005 zal moeten blijken of de uilen een dergelijke kast aanvaarden. We hopen dat dit voorbeeld de Duitse autoriteiten ertoe zal bewegen de richtlijnen te veranderen, opdat in de toekomst steile wanden in groeves mogen blijven bestaan. In Nederland wordt het voorbeeld van Wesel door Staatsbosbeheer in samenwerking met plaatselijke ornithologen al nagevolgd. Op twee plaatsen worden blijvende nestmogelijkheden voor eventuele oehoes gecreëerd. Natuurlijk moeten we oppassen dat we er geen bungalowpark voor de reuzenuilen van gaan maken. Maar zoveel groeves hebben we in Nederland toch niet. Als de oehoe hier in serieuze aantallen gaat broeden zullen we het voornamelijk van boom- en grondbroedende vogels moeten hebben.

_______________________________________________
G.J. Wassink
Europaweg 40a
7137 HN Lievelde
gejowassink@hetnet.nl