Uit de Nieuwsbrief juni 2007

IS ER EEN VERLEDEN VOOR DE OEHOE IN NEDERLAND?

Inleiding
In de eerste Uilen Nieuwsbrief van 2005 staat een artikel van de hand G.J.Wassink met de titel: Is er een toekomst voor de Oehoe in Nederland? Het antwoord op deze vraag is een gematigd "wellicht". Beperkende factoren zijn volgens de auteur: voldoende geschikt voedsel, voldoende nestmogelijkheden en niet te veel verstoring door recreanten. In Zuid Limburg wordt op dit moment aan die condities voldaan, want sinds 1997 broeden daar weer enkele Oehoes. Ook in de Achterhoek is een broedgeval geconstateerd.

Het antwoord op de vraag naar de Oehoe in het verleden is aanzienlijk positiever. Via onderzoek van vogelresten uit archeologische opgravingen is de aanwezigheid van de Oehoe op veel plaatsen vastgesteld. Het gaat hier steeds om losse botjes die tussen het nederzettingsafval zijn gevonden. Via zorgvuldig troffelen en zeven van de grond komen de botjes te voorschijn. Met behulp van een vergelijkingscollectie kan dan gedetermineerd worden.

De gevonden resten Oehoe zijn te dateren in de Prehistorie, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen (zie tabel). Hieronder volgt een korte toelichting op de vondsten.

Prehistorie

De oudste aangetroffen resten van de Oehoe komen uit twee opgravingen in het kader van de aanleg van de Betuwelijn in Hardinxveld-Giessendam. Twee rivierduinen (donken) waren al bewoond tijdens de Midden Steentijd, ca. 5500 tot 4450 voor Chr. Het gaat hier om totaal 9 botjes van de poten en de romp. Opvallend is de afwezigheid van elementen van de vleugel. Dit zou kunnen wijzen op een speciaal gebruik van de Oehoe-vleugel. De vindplaats ligt in een echt wetland met kreken en moerassen. Op de donken echter stonden hoge bomen waar de Oehoes zeker een schuil- of broedplaats konden vinden (Oversteegen et al. 2001).
Uit de volgende periode, de Nieuwe Steentijd of het Neolithicum hebben we drie vindplaatsen met Oehoe. Dit zijn Molenaarsgraaf in de Alblasserwaard, Aartswoud in West Friesland en vindplaats P14 in de Noordoostpolder. Ook hier gaat het weer om vindplaatsen in een nat milieu. De opgraving van de Bronstijd nederzetting in Bovenkarspel (Noord Holland) heeft een femur (dijbeen) van een Oehoe opgeleverd.

Romeinse tijd

In Empel bij 's Hertogenbosch werd in de jaren 1989 - 1991 een Romeinse tempel opgegraven. Het gaat om een stenen tempel van 12 bij 12 m, gelegen in het midden van een ommuurde hof. Aan één zijde van de hof bevond zich een grote voorhal. In deze hal werd een houten waterput opgegraven en in deze put troffen de opgravers een aantal bijzondere vondsten aan. Een complete Romeinse helm, een Germaanse schildknop en een flink deel van het skelet van een Oehoe! (Roymans en Derks, 1994). De beide vleugels en poten van het dier zijn vrijwel compleet aanwezig. De ribben en schedel ontbreken echter. Vooral de schedel is kwetsbaar en het is niet verwonderlijk dat die niet is aangetroffen. Het gaat in elk geval om een jonge uil, want de uiteinden van de lange botten zijn nog niet geheel verbeend. In vergelijking met andere vondsten heeft het dier wel zo ongeveer de volwassen grootte bereikt. Wellicht was de uil ca. een half jaar oud toen hij de dood vond in de waterput.

De tempel is gebouwd in het laatste kwart van de 1e eeuw AD en is waarschijnlijk verwoest rond 235 AD. De vierkante put (ca. 1,50 bij 1,50 m) moet zijn aangelegd tijdens of na de verwoesting want er zijn veel puin- en dakpanresten in de put gevonden (Roymans en Derks, 1994).

Naast het skelet uit de tempel van Empel zijn er nog twee Romeinse vondsten. De eerste komt uit Rijswijk (Z-H) waar een inheems- Romeins boerderijcomplex werd opgegraven. De boerderij werd enkele malen herbouwd. In de laatste periode, ca. 200-270 AD, gaat het om een hoofdgebouw van gedeeltelijke steenbouw. Tussen de vele dierenresten werd een vleugelbotje van een Oehoe gevonden.

Bij de opgraving van een Romeinse haven in Velsen (N-H), daterend uit de eerste eeuw AD, kwam eveneens een vleugelbotje van een Oehoe tevoorschijn (Maliepaard, mondelinge mededeling).

Tenslotte leverde de opgraving van de stadskern van Dordrecht nog een dijbeen (femur) van een Oehoe uit een laag die dateert uit de 13e eeuw.

Schriftelijke bronnen

Vanaf de middeleeuwen zijn we niet meer alleen afhankelijk van archeologische vondsten, maar zijn er ook schriftelijke bronnen. Een speciale categorie vormen de beestenboeken of Bestiaria. Een bestiarium bestaat uit een verzameling afbeeldingen en beschrijvingen van voornamelijk dieren met daarbij een moraliserende uitleg. De originele tekst, in het Grieks, zou dateren uit de 4e eeuw, maar deze tekst is verloren gegaan. Via Latijnse vertalingen is de tekst wel overgeleverd. Vanaf de 12e eeuw worden in veel kloosters tekst en afbeeldingen gekopieerd. Er zijn verschillende afbeeldingen van uilen. Het toeschrijven van een afbeelding aan een soort is moeilijk aangezien de illustrator meest niet uit eigen ervaring tekende. De afgebeelde uilen hebben dan iets van een karikatuur (George and Yapp, 1991).
In de 12e tot 14e eeuwse manuscripten komen twee of drie benamingen voor. Het duidelijkst is de naam Bubo bij een afbeelding van een geoorde uil. Een mooi voorbeeld is te vinden in het manuscript Der naturen bloeme uit circa 1350 van Jacob van Maerlant.

Discussie

Verreweg de meeste van de boven genoemde vondsten van de Oehoe stammen uit de prehistorie. De prehistorische vindplaatsen met vondsten van de Oehoe liggen allemaal in West Nederland. Dit is voornamelijk een gevolg van de gunstige conserveringsomstandigheden in natte gebieden. In zandgrond blijft bot vrijwel niet bewaard. De prehistorische vondsten zijn allemaal gevonden tussen nederzettingsafval en worden daarom meestal geïnterpreteerd als consumptieafval. Op slechts een dijbeen (femur) van de opgraving P14 in de Noordoostpolder is een snijspoor aangetroffen, een direct bewijs voor consumptie. Op de overige vondsten zijn geen snijsporen aanwezig, maar dit hoeft niet te betekenen dat de uil dan ook niet gegeten is. Opvallend is het ontbreken van vleugelonderdelen in de beide Mesolithische opgravingen in Hardinxveld/Giessendam. Wellicht hadden Oehoevleugels hier een speciale betekenis.

Bij de vondst van het Oehoe-skelet uit de Romeinse tempel van Empel is de vraag is hoe de Oehoe in de put is terechtgekomen. Was hij levend of dood? Misschien heeft de jonge uil een kikker in de put gezien en geprobeerd deze te pakken te krijgen. Eenmaal in de put kon hij er niet meer uitkomen. Een andere mogelijkheid is dat het uilenkarkas bij de verwoesting van de tempel in de put is terechtgekomen. Bij zo'n verwoesting werden de waterputten vaak onbruikbaar gemaakt door er karkassen van dode dieren in te gooien. De waterput in kwestie bevatte ook een flink aantal botten van runderen, schapen en varkens, die wellicht op deze handelwijze wijzen. Het lijkt in elk geval onwaarschijnlijk dat de jonge Oehoe werd geconsumeerd.
De beide andere Romeinse vondsten van de Oehoe uit Rijswijk en Velsen en wellicht ook de vondst van Dordrecht zijn waarschijnlijk wel te interpreteren als nederzettings- c.q. consumptieafval.

Conclusie

Archeologische opgravingen uit de periode van het 5e millennium voor Chr. en de 13e eeuw AD hebben botten van de Oehoe geleverd, waardoor we zeker weten dat de Oehoe in het verleden voorkwam in Nederland. In tegenstelling tot heden ten dage leefde de oehoe ook in natte, waterrijke gebieden.
L.H. van Wijngaarden-Bakker

Literatuur
George, W and B.Yapp, Thee naming of the beasts. London, 1991.
Oversteegen, J.F.S., L.H.van Wijngaarden-Bakker, R.Maliepaard en Th. Van Kolfschoten, Zoogdieren, vogels en reptielen.
In: L.P.Louwe Kooijmans (red.) Archeologie in de Betuweroute Hardinxveld-Giessendam De Bruin. Amersfoort, 2001
Roymans, N. en T.Derks, De tempel van Empel. "s Hertogenbosch 1994