Hoewel Ransuilen vooral in open terrein jagen, hebben ze een boom nodig om in te broeden. De 3-7 eieren worden gelegd in een bestaand nest, want uilen bouwen niet zelf. In boomloze gebieden wordt de niche van de Ransuil ingenomen door de Velduil, wiens nest bestaat uit een kuiltje in de bodem. Beide soorten zijn even groot (37 cm), maar Ransuilen hebben een iets langere staart (150 tegen 143 mm), iets kortere vleugels (vleugellengte 297 tegen 309 mm) en zijn lichter (310 tegen 375 g). Dit maakt Ransuilen meer geschikt om tussen bomen te manoeuvreren.
Ten noorden en ten oosten van Nederland zijn Ransuilen min of meer Nomadisch en ten zuiden en ten westen van ons niet. Dit is af te lezen aan aantalfluctuaties en aan het overwinteren in groepen. In mijn Drentse onderzoeksgebied van 25 km2 varieerde het aantal overwinterende uilen in 1986-2001 van 17 tot 81 exemplaren en het aantal broedparen van 4 tot 41. In sommige jaren met een zeer hoge veldmuizenstand broedden er plotseling meer uilen dan kon worden verklaard uit de aanwas van vorig jaar. In Scandinavië zijn Ransuilen bij een lage muizenstand soms absent. In Engeland zijn fluctuaties veel kleiner en verschijnen lokale Ransuilen niet ieder jaar op sociale slaapplaatsen.
In jaren met veel voedsel zijn winterslaapplaatsen omvangrijker, maar onder dergelijke omstandigheden bouwen de aantallen laat op en worden de slaapplaatsen eerder weer verlaten dan in magere jaren. Het vermoeden bestaat dat Ransuilen op een winterslaapplaats een partner uitkiezen, maar daarmee is niet verklaard waarom uilen eerder op een slaapplaats verschijnen onder mindere voedselomstandigheden. Mogelijk wisselen ze op de slaapplaats informatie uit omtrent de kwaliteit van jachtgebieden in de omgeving. Op deze manier zouden individuen hun zoekradius vergroten. In jaren met veel voedsel is dat niet nodig omdat muizen dan alomtegenwoordig zijn. In gebieden met niet-nomadische populaties en een constanter voedselaanbod is uitwisseling van dergelijke informatie minder belangrijk omdat de uilen hun eigen gebied en eventuele partners al kennen.
Op de slaapplaats zitten Ransuilen dicht bij elkaar en zijn dan relatief makkelijk te tellen. In het broedseizoen is dat anders, want ze zijn nauwelijks territoriaal en roepen zacht of niet. De kans om tijdens een kalme voorjaarsavond een Ransuil in zijn of haar territorium te treffen bedroeg tijdens intensief onderzoek slechts 21%. Bij de luidkeels bedelende jongen is de trefkans groter, maar in magere muizenjaren brengt soms niet meer dan eenvijfde van de paren jongen groot. Wil je het nest van een Ransuil vinden, lokaliseer dan in maart een territorium aan de hand zacht "hoe" roepende of vleugelklappende mannetjes of langgerekter nasaal "wèè" roepende vrouwtjes. Vooral de vrouwtjes verraden de locatie van het nest. Kijk hier in april oude nesten af waar een Ransuil op past (doorsnee >30 cm). Soms zie je paar oren of een geelbruin zoompje staart over de nestrand steken en wellicht wappert er een bruingrijs donsje in de nestrand. Vindt je niet direct een nest, dan stuit je meestal wel op een roestplaats van het mannetje, gekenmerkt door de wit-zwarte poep en een paar verse braakballen. Het mannetje zit meestal een meter of veertig van het nest. In mijn onderzoeksgebied bestond een sterke voorkeur voor oude kraaien- en eksternesten (91%), gebouwd in dennen en sparren, vermoedelijk vanwege beschutting in het vroege voorjaar. Controleer een nest tijdens de ei- of kleine jongen-fase in de avondschemer en zorg dat je niet te lang bezig bent. Doe het niet te laat in de jongenfase, opdat de jongen het niet voortijdig verlaten. Zodra er een poepkrans van de jongen onder verschijnt, ben je te laat. Controle van nesten draagt bij aan de kennis over een soort en, mits behoedzaam uitgevoerd en ingevuld op een nestkaart (down te loaden via www.Sovon.nl), ook aan de bescherming.
Het gaat niet goed met de Ransuil in Nederland. Bij een soort met sterke aantalfluctuaties wordt zoiets pas na enige tijd zichtbaar. In mijn onderzoeksgebied ben ik in 2002 opgehouden met tellen, mede omdat het veldwerk 's avonds erg saai werd door de lage dichtheid. Door af en toe een avond op pad te gaan in voorheen goede gebieden, weet ik dat de stand tegenwoordig aanzienlijk lager is dan in 2001. Tijdens het analyseren van het Drentse havikendieet, berekenden Rob Bijlsma en ik dat Drentse Haviken jaarlijks meer dan 100% van de Ransuilen en hun jongen opaten. Dat kwam natuurlijk doordat geplukte uilen erg opvallen en oververtegenwoordigd waren in dieet, maar het indiceert wel de kwetsbaarheid van Ransuilen voor Haviken. De predatie hield geen rechtstreeks verband met het aantal Haviken in Drenthe (zie figuur). Toen de Havik al lang op zijn top zat, floreerde de Ransuil nog. Pas toen Haviken in de problemen kwamen door afname van Houtduif, Konijn en postduif, schakelden ze over op schaarsere soorten, waaronder de Ransuil.
Tweede probleem voor de Ransuilen was de afname van potentiële nesten om in te broeden. Al aan het eind van de jaren tachtig verdwenen Eksters uit bos en heide, in de loop van de jaren negentig gevolgd door Zwarte Kraai. In het Amelterbos, een 50 ha groot gemengd bos bij Assen, trof ik in 1990 18 oude nesten van Zwarte Kraai en 9 van Ekster. In 2000 waren dat er resp. 9 en 0. Op het Ballooërveld, een 300 ha groot heideveld vond ik in 1990 nog 15 "bruikbare" nesten van Zwarte Kraai tegen 5 in 2000 en 0 in 2006. Afname van kraaien en Eksters was vermoedelijk een gevolg van toename van predatiedruk door Havik en Buizerd, maar mogelijk ook door verarming van natuurgebieden en schaalvergroting in het agrarische landschap. De huidige tendens van beheer in natuurgebieden richting verschraling en vernatting betekent voor Veldmuizen, de hoofdprooi van Ransuilen, devaluatie van het landschap. Het agrarisch cultuurland wordt aan de andere kant steeds intensiever gebruikt, met navenant minder mogelijkheden voor de Veldmuis.
Uiteindelijk is het dus de steeds sterkere tegenstelling tussen landbouw en natuur die ertoe heeft geleid dat Houtduif, Zwarte Kraai en Veldmuis lokaal zijn afgenomen of verdwenen, met de Ransuil in hun kielzog. Afname van deze flexibele en nomadische muizeneter wortelt dus in de economie. Met z'n allen zijn we verantwoordelijk voor de schaalvergroting in de landbouw en willen we daarin iets veranderen dan kan dat alleen door bereid te zijn meer te betalen voor extensief geproduceerd brood, vlees en melk.
![]()
Aantalsverloop van de Ransuil 1985 - 2010 |
Aantalsverloop van Ransuilen in een 25 km2 groot gebied bij Assen in Drenthe en Haviken in een 67 km2 overlappend gebied. |