Ransuilen op zee

Gejo Wassink
Click op de fotos om ze te vergroten / verkleinen

Wie Ransuilen wil zien gaat al snel op zoek in bosjes met Grove Dennen. Al speurend met de neus naar beneden, verraden gevonden braakballen veelal of deze uil in het uitgekozen bos voorkomt. Waarschijnlijk zal niemand voor deze vogelsoort de auto pakken, naar de Noordzee rijden , daar een schip huren en dan…… op zoek naar Ransuilen gaan.
En toch worden op zee meer Ransuilen waargenomen dan u en ik waarschijnlijk gedacht hadden. Zo kreeg ik onlangs een e-mailbericht van iemand over een vermeende oehoewaarneming op een gasproductieplatform in de Noordzee. Omdat er een foto was bijgevoegd kon ik concluderen dat het geen Oehoe, maar een Ransuil betrof. Dat maakte de waarneming echter niet minder interessant, want het ging om een uil die zich niet enkele honderden meters op zee waagde, maar 160 kilometer !!! In ieder geval was mijn nieuwsgierigheid voldoende geprikkeld om me eens wat meer te verdiepen in "zeeuilen".

Plaats en aard van de waarneming
Het verhaal speelde zich af op een gasproductieplatform in het F-veld op de Noordzee. Het platform telt 7 verdiepingen en ligt ongeveer 160 km. ten Noorden van Den Helder. Enige kilometers oostelijk van het platform bevindt zich een vaarroute waar diverse grotere schepen varen. Het eiland wordt bevoorraad door suplyers, relatief kleinere schepen waarop volgens de waarnemer nauwelijks schuilmogelijkheden voor uilen aanwezig zijn.
Een subcontractor die op het 'eiland' werkt stuurde de bewuste foto naar een ornithologe en meldde dat er wel vaker uilen op het booreiland kwamen aanvliegen !! Er zijn veel stalen balken en buizen waardoor het niet gemakkelijk is om vogels die neerstrijken direct te ontdekken. Desondanks is bekend geworden dat de Ransuil circa 2 weken op het eiland is gebleven. Na 26 april 2004 is de vogel niet meer waargenomen.
De Ransuil werd van tijd tot tijd gezien tijdens de jacht op kleine vogels.


Foto: Ransuil op gasproductieplatform
in de Noordzee
(anonieme waarnemer)

Andere waarnemingen van uilen op zee
Op de Noordzee blijken systematische tellingen te zijn gehouden van (zee)vogels op zee. De gegevens zijn opgeslagen in de Nederlandse database zeevogeltellingen op zee (SASBASE). De waarnemingen zijn verzameld tijdens tellingen vanaf schepen. Hiervoor is zo'n 1,3 miljoen kilometer varend en tellend afgelegd. Op deze manier zijn door de Nederlandse tellers in totaal 7 Ransuilen en 5 velduilen op volle zee waargenomen. Zes van de Ransuilwaarnemingen zijn gedaan in oktober, de andere in april. Ook de meeste Velduilen werden gezien in oktober/november. (zie tabel 2). Het zwaartepunt van de waarnemingen ligt in de Duitse Bocht. De waargenomen uilen zijn mogelijk trekvogels die de Duitse Bocht afsnijden.
Niet alleen waarnemers op volle zee, maar ook de zeetrektellers aan de kust zien regelmatig Ransuilen vanaf zee komen (zie tabel 1). Het gaat om 8 voorjaar-, 6 najaar- en 2 winterwaarnemingen. Ook heeft men wel eens gehoord van kottervissers, dat er in de trektijd Ransuilen aan boord komen om te rusten of om op rustende vogels te jagen. (Mart Zijm; persoonlijke mededeling). Van de Velduil zijn maar liefst 46 waarneemdata bekend; 34 najaar-, 8 voorjaar- en 4 winterwaarnemingen.

Datum Telpunt trekrichting
13-04-80

Schev

N

04-10-80

Schev

N

15-02-81

Brouwersd

tp

22-10-81

Tersch

W

15-04-82

Hbz

O

7-05-82

Texel

N

5-10-82

Schev

Tp

22-10-82

Schev

Z

30-12-82

Schev

Z

01-04-83

Schev

O

08-04-84

Schev

O

14-04-85

Schev

tp

14-10-85

Texel

Z

15-11-86

Hbz

tp

27-03-89

Schev

N

26-04-89

Egm

Z

Tabel 1. Ransuilwaarnemingen tijdens zeetrektellingen aan de kust van Nederland

bron: Mardik Leopold (Alterra Texel en Nederlandse zeevogelgroep)
Nederlandse database zeevogeltellingen op zee (SASBASE)
Uit andere bronnen, ondermeer van waarnemers op offshore platforms (verenigd in de North Sea Bird Club), blijkt dat uilen overal op de Noordzee wel platforms aandoen. Uit hun database blijkt dat Ransuilen elk jaar worden waargenomen in het gehele Noordzeegebied. Behalve in februari, wordt deze uilensoort in alle maanden van het jaar gezien met een piek in oktober en (in mindere mate) april. In de zomer (juli-september) en in december worden de minste exemplaren gezien.
Hoewel de vogels meestal alleen vliegen, zijn er ook meldingen van kleine groepjes zoals 5 op 'Phillips Audrey' op 20 oktober 1994 en 4 exemplaren op 'Rough' op 29 oktober 1991. De uilen worden regelmatig lastig gevallen door meeuwen, en jagen vaak op kleine vogels die de platforms ook als tussenstop gebruiken.
Overigens is de Ransuil niet de enige soort die zich op open zee waagt. Zo zijn er bijvoorbeeld 3 Kerkuilen gemeld.(1984, 1989 en 1994). Op 17-11-1989 werd een geringde Kerkuil gevangen die in juni 1988 was geringd in Zuid Duitsland. Verder werd op 14-12-1994 een Kerkuil gevangen die een half jaar daarvoor was geringd in Humberside (Oost Engeland).
Van de Sneeuwuil is 1 waarneming bekend van een individu dat van 13-15 november 1984 op het booreiland "Heather A" verbleef.

Zelfs de Bosuil is 4 keer op zee gemeld. Op 5-5-1984 zat een exemplaar op een Tanker en op 23-11-1984 op een booreiland. Ook op 21-10-1985 werd een Bosuil aan boord van een schip aangetroffen. Verder is er een exemplaar gevangen op een platform en weer vrijgelaten bij het vliegveld van Aberdeen.
Tot slot wordt melding gemaakt van een behoorlijk aantal Velduilen. In de periode 1979-1982 werden per jaar zo'n 10 Velduilen waargenomen verspreid over alle maanden van het jaar.Er is ook nog een waarneming van een Velduil op 17 jan 1985 op platform K8-FA-1.
Het jaar 1991 was uitzonderlijk met maar liefst 41 waarnemingen tussen 8 oktober en 12 december. Net als bij de Ransuil is er sprake van een piek in september/oktober en een kleinere piek in april/mei. Ook deze uil vliegt soms in groepjes. Zo werden er 6 genoteerd op 8 oktober en een groepje van 4 op 27 oktober 1991. Op 6 en 7 november 1984 werden op en rond het "Maureen platform" tussen de 40 en 50 uilen waargenomen waarvan het merendeel uit Velduilen bestond. Dit gebeurde tijdens het invallen van extreem hoge aantallen trekvogels (naar schatting 200-300.000).
Het is dus duidelijk dat het waarnemen van uilen op zee een jaarlijks terugkerend fenomeen is. Bovendien is hun trek- en zwerfgedrag veel omvangrijker dan het bijgaande kaartje doet vermoeden. Wie dus ooit al varende over de Noordzee een uil ziet vliegen hoeft na het lezen van dit verhaal niet echt verbaasd meer te zijn (ook al blijven het natuurlijk leuke waarnemingen !).

Soort Coord. Noord Coord. Oost (West) dag maand jaar
Ransuil
52,59
4,30
11
4
2003
Ransuil
53,69
4,41
25
10
1990
Ransuil
54,04
5,14
29
10
1987
Ransuil
54,67
3,91
31
10
1991
Ransuil
55,25
5,50
31
10
1989
Ransuil
55,39
6,97
6
10
1989
Ransuil
56,00
7,61
9
10
1989
Velduil
49,80
-9,53
27
11
1991
Velduil
53,62
4,44
25
10
1990
Velduil
53,75
5,53
16
10
1990
Velduil
54,45
7,88
25
4
1990
Velduil
55,78
7,57
24
10
1987
Tabel 2. waarnemingsdata van de zee-uilen uit SASBASE

Verspreiding van de
Ransuil binnen de
gemeentegrenzen van
Lichtenvoorde in 1984

Ransuilen in de Achterhoek
In het kader van het gezegde "Je moet het ijzer smeden als het heet is", heb ik ook even gekeken naar de stand van zaken betreffende de Ransuil in de Zuidoost Achterhoek. Ongeveer 20 jaar geleden hebben we binnen de gemeentegrenzen van Lichtenvoorde alle bosjes uitgekamd, op zoek naar Ransuilen. Ik kan me nog heel goed herinneren dat bijna alle kleine bosjes met Grove Den in dit open cultuurlandschap een paartje Ransuilen herbergde.
Uit de oude doos heb ik een werkrapport tevoorschijn getoverd, waarin de verzamelde gegevens zijn gepubliceerd. Het ging om 21 paar Ransuilen (1984), waarbij opgemerkt dat alleen zekere territoria zijn opgenomen. Maar liefst 60% betrof horstvondsten , de overige 40% waren herhaalde waarnemingen van paren in geschikt biotoop Dit kwam overeen met een dichtheid van 0,28 paar per 100 ha. landschap. De werkelijke dichtheid was nog hoger, omdat bijvoorbeeld plaatsen waar alleen braakballen werden gevonden niet zijn meegeteld. Zouden we dat wel gedaan hebben, dan waren er 27 territoria. (0,37 paar/100 ha.).
Een soortgelijk aantal werd overigens tijdens tellingen in de jaren negentig in Winterswijk vastgesteld ( gemiddeld 0,28 paar/100 ha. met een maximum van 0,8 p/100 ha. in dorpen en veengebieden).


Foto:
Andre Eikenaar

Om een indruk te krijgen over de toe- of afname van deze uilensoort, heb ik alle 27 bosjes binnen Lichtenvoorde in april 2004 met een bezoek vereerd. Slechts op 11 plaatsen vond ik ( met name door middel van braakbalvondsten ) sporen van Ransuilen. (0,15 paar/100 ha.). Uiteraard is hier geen sprake van gedegen onderzoek, maar voor de indruk is het voldoende. Het lijkt er sterk op dat de soort flink in aantal is afgenomen (meer dan gehalveerd t.o.v. 1984 !). Dat geldt niet alleen voor Lichtenvoorde, maar ook voor Winterswijk. Voor de periode 1900-1950 is hier sprake van een toenemende trend, daarna was er tot 1970 een stabiele populatie met jaarlijkse schommelingen in de aantallen.Vervolgens zijn de aantallen langzaam afgenomen.

Ook de Atlas van de Nederlandse broedvogels meldt een afname die vooral vanaf 1990 (toen de stand nagenoeg gelijk was aan die van 1970) zichtbaar is. Voor een deel wordt de afname toegeschreven aan de toename van de Havik. Haviken slaan niet alleen oude maar met name ook jonge Ransuilen. Verder wordt het verminderde aanbod van geschikte nestplaatsen in dit verband genoemd. In gebieden waar de Havik hoge dichtheden bereikt verdwijnt meestal eerst de Ekster, gevolgd door de Zwarte Kraai als nestleverancier. In de Achterhoek kan de Havik niet verantwoordelijk worden gehouden voor de neerwaartse tendens. In het gebied rond Lichtenvoorde komen namelijk geen Haviken voor, en in het Winterswijkse landschap is al jaren sprake van een stabiele populatie. In het verleden kwamen er zelfs meer Haviken voor dan nu.
De neergang die op landelijke schaal zichtbaar is wordt dan ook niet alleen veroorzaakt door predatie, maar ook door een verslechterde voedselsituatie. Stadsuitbreiding, omzetten van grasland in akkers, frequenter maaien, egalisatie en ontwatering hebben ongetwijfeld geleid tot een afgenomen aanbod van Veldmuizen.


Foto:
Andre Eikenaar

Overigens geldt die afname niet voor alle gebieden. Tijdens de Korenburgerveeninventarisatie van 2002 werden maar liefst 8 territoria (1,7 p/100 ha.) vastgesteld tegen slechts 2 paar in 1981 (0,4 p/100 ha.). Op zich natuurlijk geen vreemde ontwikkeling als we bedenken dat er extensivering van de randzone rondom het veen heeft plaatsgevonden, waardoor zelfs verschillende paren Roodborsttapuiten en Grauwe Klauwier weer een plek hebben gevonden. Ook in andere gebieden in Nederland waar sprake is van natuurgericht maaibeheer, braakleggingsregelingen e.d. kon de Ransuil weer wat terrein terugwinnen.
Persoonlijk heb ik tot slot de indruk dat er ook in gebieden waar de Havik niet voorkomt een verminderd aanbod van oude kraaien- en eksternesten is. In delen van ons werkgebied worden veel nesten van Kraaien en Eksters jaarlijks zorgvuldig uit de bomen geschoten i.v.m. de bestrijding van "De zwarte rakkers", zoals ik ze door een bevriende jager al eens heb horen noemen. Misschien kunnen in de toekomst her en der wat nesten gespaard worden, zodat soorten als Ransuil en Boomvalk in ieder geval geen gebrek meer hebben aan nestgelegenheid.

Woord van dank
Een woord van dank is op zijn plaats voor de waarnemer die in verband met zijn functie graag anoniem wil blijven. Verder wil ik Mardik Leopold (Alterra Wageningen) bedanken voor het aanleveren van gegevens en literatuur.


Foto:
Andre Eikenaar

Literatuur
Nederlandse database zeevogeltellingen op zee (SASBASE)

North Sea Bird Club (2001): The North Sea Bird Club 21st Anniversary report. september 2001. Editor AW Thorpe.

Platteeuw M., van der Ham N.F. & den Ouden J.E. 1994. Zeetrektellingen in Nederland in de jaren tachtig. Sula 8(1/2, special issue): 1-203

Platteeuw M., van der Ham N.F. & Camphuysen C.J. 1985. K7-FA-1, K8-FA-1, Zeevogelobservaties winter 1984/85. CvZ spec. publ., Amsterdam.

SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000.
- Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.

SOVON Broedvogel Monitoring Project; jaarverslag 1996-97. Beek-Ubbergen.

Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek (2003):Broedvogelinventarisatie Korenburgerveen 2002. Winterswijk.

Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek (1984): tweede werkrapport van het onderzoek naar een aantal broedvogels in de gemeente Lichtenvoorde 1984. Lichtenvoorde.

_______________________________________________
G.J. Wassink
Europaweg 40a
7137 HN Lievelde
gejowassink@hetnet.nl

Kijk ook eens verder bij
Webmaster W. v/d Heide